De return-instructie in Python
Stel we hebben een functie die het kwadraat van een doorgegeven getal naar het scherm print:
def func(num):
print(num ** 2)
Indien het niet nodig is om de waarde direct naar het scherm te printen, kan je deze eerst in een variabele opslaan:
res = func(3) # in variabele res zit nu 9
Hiervoor kent Python een speciale
instructie return, die het mogelijk maakt
om de waarde aan te geven die de functie
teruggeeft. Met het woord teruggeeft
wordt de waarde bedoeld die in een variabele
wordt geschreven, als je daaraan de aangeroepen
functie toekent.
Laten we onze functie herschrijven zodat ze het resultaat niet naar de console print, maar teruggeeft in een variabele:
def func(num):
return num ** 2
Nu schrijven we het resultaat van de functie in een variabele:
res = func(3)
Nadat de gegevens in een variabele zijn geschreven, kan je ze bijvoorbeeld naar het scherm printen:
res = func(3)
print(res) # print 9
Of je kan de gegevens eerst aanpassen, en ze daarna naar het scherm printen:
res = func(3)
res = res + 1
print(res) # print 10
Je kan ook direct acties uitvoeren met het resultaat van de functie voordat je het in een variabele schrijft:
res = func(3) + 1
print(res) # print 10
Je kan onze functie meerdere keren aanroepen voor verschillende getallen en de resultaten optellen:
res = func(2) + func(3)
print(res) # print 13
Om de geschreven code in te korten, kan je de
functie direct aanroepen en doorgeven aan de
parameter print:
print(func(3))
Maak een functie die een getal als parameter
accepteert, en de derde macht (kubus) van dit getal
teruggeeft. Gebruik deze functie om de derde macht
van het getal 3 te vinden en schrijf deze
in de variabele res.
Vind met de door jou gemaakte functie de
som van de derde machten van het getal 2
en het getal 3 en schrijf deze
in de variabele res.